Moet je de uitbuiting van dieren zelf gezien hebben, om het dan pas erg te vinden?

11-04-2005
Enorme bio-industrieschuren. Grijs, grauw en met grote graansilo’s aan de buitenkant.

 

Foto: Bite Back

Afgelopen weekend reed ik door de Nederlandse provincie Noord-Brabant. Dé varkensfokkersprovincie van Nederland, een beetje te vergelijken met het Belgische West-Vlaanderen. Behalve wat schaapjes met hun pasgeboren lammeren, zie je echter geen enkel varken buiten lopen. Wat je wel ziet zijn de enorme bio-industrieschuren. Grijs, grauw en met grote graansilo’s aan de buitenkant. De provincie oogt vanaf de snelweg groen.


Mij valt een vrouw op die bij een boerderij een paar kippen voert. De kippen lopen op het groene veldje voor haar boerderij. Achter haar een prachtige hoeve. Daarnaast staan twee enorme, gesloten varkensstallen. Een beter contrast kan je niet treffen. Een voorbijgaande toerist of fietser zal denken: ‘Wat een mooie boerderij en zie die kippetjes eens lekker scharrelen’. Dat is pas het echte buitenleven. Die kippen hebben geluk. De varkens die in die enorme schuren zitten niet. Geen daglicht, geen frisse lucht, geen afleiding, maar wel verveling en eten tot je er bijna dood bij neervalt, want iets anders valt er niet te beleven zo tussen het beton en de ijzeren stangen, waar de zeugen hun kont niet kunnen keren. En varkens hebben nu net zo’n behoefte aan soorteigen gedrag als wroeten, voedsel zoeken, zonne- en modderbaden nemen en beweging.

Uit het zicht en zo uit het geweten van mensen. Mensen komen meestal in verzet indien zo’n varkensstal in hun eigen woonomgeving wordt gebouwd. Varkensmest stinkt namelijk. Zeker in die enorme hoeveelheden zoals de bio-industrie ze produceert. Maar aan die hele industrie hangt een naar luchtje. Zodra zo’n bedrijf zich vestigt in de buurt van woningen, dan ruik je inderdaad, bij een bepaalde stand van de wind, die vieze bio-industrielucht. Ik ken zulke varkensbedrijven. Ik ben er een paar keer geweest. Ik heb die lucht opgesnoven, ik heb de kettingzeugen, de metalen kraamkamers van de moederdieren met hun pasgeboren biggen, en de varkens in hun donkere betonnen hokken gezien.

Als puber kreeg ik mijn eerste rondleiding bij een bio-industrieboer die zijn kippen wel eens wilde laten zien aan mijn familie. We logeerden in de oude boerderij van de man, die dienst deed als vakantiewoning. Toen hij de deuren opende van die enorme schuren vol legbatterijen met kippen, drong de scherpe ammoniaklucht meteen je neus binnen en het kabaal van duizenden kippen was overweldigend. Ik weet nog dat ik enorm geschrokken was en totaal niet voorbereid op de realiteit. Ik wist niet beter dan dat kippen over een erf scharrelden. Mooi niet dus! Daar zaten ze dan: opeengepakt in een kooi ter grootte van een A4-tje, waar ze als eierenproducerende kippenslaafjes opgesloten zaten. Het voelde niet goed aan, het zag er allesbehalve diervriendelijk uit en het rook vies naar uitwerpselen. Het klopte volgens mijn gevoel voor rechtvaardigheid gewoon niet. Vreselijk. Zeker nadat ik daarna kalveren in hun vetmestkist mocht ‘bewonderen’. Volgens de bio-industrieboer waren ze ziek en moesten ze apart zitten. Kalveren mogen ruim 26 jaar later wettelijk gezien nog steeds de eerste twee maanden in een kist apart worden gezet. Als echte puber heb ik, samen met mijn tweelingzus – nukkig en boos om wat we gezien hadden – het aangeboden broodje bij de koffie afgeslagen en geen woord meer tegen die man gesproken. Achteraf gezien was dat waarschijnlijk mijn eerste burgerlijke ongehoorzaamheidsactie.

Niet veel later kon mijn moeder vegetarische burgers gaan inslaan voor bij de warme maaltijden. Wat ze overigens met liefde deed voor haar dierenminnende dochters. Mocht jij tijdens een toeristisch uitstapje op het platteland eens in de buurt komen van zo’n grijs, grauw bio-industriegebouw, bel gerust eens aan en vraag om een ambachtelijke rondleiding.

Voor de dieren,


Marianne Huiberts,
Voorzitter Bite Back vzw